DEVELOPMENTAL COORDINATION DISORDER (DCD)

Wat is DCD?

DCD staat voor Developmental Coordination Disorder. Kinderen met DCD zijn onhandiger, vallen vaker en hebben moeite met het aanleren van allerlei vaardigheden als bijvoorbeeld schrijven en fietsen.

Volgens de DSM-IV (de standaard in de psychiatrische diagnostiek) moet een kind aan een aantal criteria voldoen om onder de classificatie DCD te vallen.

Diagnostische criteria voor de classificatie DCD.

  • Criterium A De dagelijkse activiteiten, die motorische coördinatie vereisen, worden duidelijk slechter verricht dan men op basis van chronologische leeftijd en intelligentie zou verwachten. Dit kan blijken uit aanmerkelijke vertragingen in het bereiken van motorische mijlpalen (bijv. lopen, kruipen en zitten), dingen laten vallen, ‘houterigheid’, zwakke sportprestaties of een slecht handschrift.
  • Criterium B De stoornis heeft duidelijk invloed op schoolse activiteiten of activiteiten in het dagelijks leven.
  • Criterium C De stoornis is niet toe te schrijven aan een algemeen medische aandoening (bijv. spasticiteit, hemiplegie of spierdystrofie) en valt ook niet binnen de criteria voor een ‘pervasieve ontwikkelingsstoornis’.
  • Criterium D Als er sprake is van mentale retardatie (geestelijke achterstand) zijn de motorische problemen ernstiger dan die welke doorgaans met mentale retardatie samenhangen.

(DSM-IV, naar de vertaling A.F. Klaverboer)

Er zijn geen harde aanwijzingen voor oorzaken van DCD. Wel wijzen sommige onderzoekers op de aanwezigheid van lichte neurologische verschijnselen bij kinderen met DCD, bijvoorbeeld slappe spierspanning of het onvermogen om snelle, tegengestelde bewegingen te maken.

DCD komt bij 5-10% van de kinderen voor, en drie tot zeven keer meer bij jongens dan bij meisjes.

Kinderfysiotherapeutische behandeling

De kinderfysiotherapeut kan helderheid verschaffen. Er kan een uitgebreid vraaggesprek plaatsvinden waarin duidelijk wordt of er sprake is van Criterium B, is er een hulpvraag op het gebied van schoolse vaardigheden of ADL? Uiteindelijk is dit ter beoordeling aan de revalidatiearts.

Een kinderfysiotherapeut kan de Movement ABC afnemen en bekijken of de score op of beneden de p15 valt, of dat de score van één van de clusters op of onder de p5 valt.

Tevens kan de BHK afgenomen worden waarbij de kwaliteit op of boven de 21 punten moet zijn en/ of de snelheid in het 1e deciel valt.

Tenslotte kan de VMI afgenomen worden waarbij de standaardscore op of onder de 85 moet vallen.

De uitdaging van het kinderfysiotherapeutisch onderzoek is het leren begrijpen van de relatie tussen functiestoornissen en beperkingen en de gevolgen hiervan op het functioneren van het kind. Daarnaast moet de aanpassingsruimte van het kind worden ingeschat.

In de therapie kan een kinderfysiotherapeut gebruik maken van Taakgerichte methoden. Voorbeelden hiervan zijn de CO-OP en de NTT. Bij deze methodes is het belangrijk om gebruik te maken van de principes van het motorisch leren en het zelf laten ontdekken/ ervaren en evalueren.

Literatuur: Empelen R, Nijhuis-van der Sanden R, Hartman A, eds. Kinderfysiotherapie. 3e druk. Amsterdam: Reed Business Education; 2013.

LINKS & ANTWOORDEN

MENU